(Dr. Maximilian Schüttky / Manfred Klimek / Redactie / Pic: Manfred Klimek)
De wijnwereld heeft inmiddels begrepen dat ze in een crisis verkeert. Wat ze nog niet heeft begrepen: ook crises gaan voorbij. Daarna sta je echter niet automatisch weer waar je daarvoor stond. Als de huidige ontwikkeling daadwerkelijk 30 of 40 procent van het Europese wijnbouwareaal kost, als duizenden bedrijven ermee ophouden, kelders worden verkocht, wijngaarden gerooid en hele regio’s economisch uitgehold worden, dan blijft er uiteindelijk geen simpelweg kleinere versie van de oude wijnwereld over. Het zal een andere zijn. Opmerkelijk genoeg praat bijna niemand daarover.
De sector houdt zich momenteel vooral bezig met volhouden. De afzet bevorderen, een exportmarkt zoeken, subsidie aanvragen, de prijzen handhaven, op de een of andere manier nog een oogst in de kelder krijgen. Begrijpelijk. Minder begrijpelijk is dat dezelfde mensen tegelijkertijd doen alsof er na de grote selectie alleen maar weer voldoende vraag hoeft te ontstaan, zodat alles van voren af aan kan beginnen. Alsof dertigjarigen plotseling weer Bordeaux zouden kopen omdat de voorraden kleiner zijn geworden, alsof de verdwenen rodewijndrinkers uit een geheime schuilplaats zouden terugkeren en alsof een generatie die aanzienlijk minder alcohol drinkt op een ochtend zou besluiten 14,5 procent toch weer geweldig te vinden.
Over de wijnwereld van het jaar 2026 wordt nog altijd verteld door boomers, voor boomers geproduceerd en door boomers geconsumeerd. Dat zou op zichzelf helemaal niet erg zijn, als deze generatie niet tegelijkertijd de merkwaardige ambitie had ontwikkeld om haar eigen gewoonten voor natuurwetten te houden. Kijken we naar wijnbeurzen, prijsuitreikingen, branche-evenementen of de gebruikelijke galadiners, dan ontmoeten we een wereld die er wanhopig jong uit wil zien en vervolgens weer dezelfde oudere heren fotografeert terwijl ze elkaar prijzen uitreiken. Jonge wijnboerinnen en wijnboeren mogen inmiddels het podium op, graag ook met tatoeages, natuurwijn en sneakers. Beslissen mogen nog altijd anderen.
Een deel van de toekomst ligt intussen allang bij deze jonge bedrijven. Daar wordt geëxperimenteerd met oude druivenrassen, cider, pet nat, lichtere rode wijnen, op de schil vergiste witte wijnen, nieuwe recipiënten, druivensap, verjus, gedeeltelijk gedealcoholiseerde wijnen en 0,5 procent alcohol. Veel daarvan zal weer verdwijnen. Een deel zal blijven. Zo ontstaat cultuur. Alleen bekijkt een aanzienlijk deel van de gevestigde wijnwereld deze pogingen nog altijd met de milde minachting van een man die al dertig jaar in hetzelfde SUV-model rijdt en ervan overtuigd is dat elektrische mobiliteit een tijdelijke verstoring van de wereldorde vormt.
Bij alcoholvrije en alcoholarme wijnen wordt deze houding bijzonder zichtbaar. Nog altijd hoor je zinnen die met wijnrecht, traditie of vermeende authenticiteit willen onderbouwen waarom een wijn met 0,5 procent eigenlijk helemaal niet tot de culturele kosmos van wijn zou mogen behoren. De klant hoort het even aan en koopt vervolgens iets anders. De markt heeft weinig belangstelling voor theologische debatten. Wie vandaag uitstekende gedealcoholiseerde wijnen, cuvées van 6,5 procent uit wijn, druivensap en verjus of goede producten met nul procent alcohol proeft, beseft allang dat daaruit een nieuwe categorie ontstaat. Die vervangt de grote riesling niet en evenmin een gerijpte Pomerol. Ze breidt het repertoire uit. Wie dat nog altijd als heiligschennis behandelt, verdedigt uiteindelijk alleen zijn eigen verlies aan betekenis.
Ook de beeldtaal van deze sector moet dringend worden opgeruimd. Wijn wil jongeren, diversiteit, vrouwelijkheid, nieuwe drinkgewoonten en moderne gastronomie bereiken, maar presenteert zich in het openbaar opvallend vaak als een gesloten gezelschap van oudere mannen. Niemand hoeft de boomers van tafel te jagen. Zij hebben de Europese kwaliteitswijn van de afgelopen vier decennia in belangrijke mate opgebouwd, veel geld uitgegeven, kelders gevuld en wijnboeren welvaart gebracht. Alleen kan geen enkele sector haar toekomst erop baseren dat haar beste klanten zo langzaam mogelijk sterven.
Het daarna heeft daarom een plan nodig. Minder areaal hoeft daarbij niet per se een catastrofe te zijn. Europa produceert al jaren meer wijn dan het tegen redelijke prijzen kan verkopen. De pijnlijke inkrimping zou zelfs de voorwaarde voor een nieuw begin kunnen vormen, mits niet juist die bedrijven verdwijnen die nieuwsgierig, klein, eigenzinnig en cultureel interessant zijn. In Frankrijk, Italië, Spanje, Oostenrijk en Duitsland zou nu besproken moeten worden welke landschappen behouden, welke druivenrassen herontdekt, welke wijnen in de toekomst nodig en welke bedrijven ondersteund moeten worden. In plaats daarvan discussiëren we nog altijd over hoe we de afzet van het product van gisteren kunnen vergroten.
De moderniteit na het postmodernisme zal er bij wijn vermoedelijk helemaal niet bijzonder futuristisch uitzien. Ze kan oude druivenrassen naar voren halen, amforen gebruiken, regionale eetcultuur herontdekken en tegelijkertijd met de modernste technieken voor de-alcoholisering werken. Ze zal tegenstrijdigheden moeten verdragen, omdat consumenten allang tegenstrijdiger zijn geworden. Een en dezelfde persoon kan op dinsdag alcoholvrij drinken en op zaterdag een twintig jaar oude barolo openen. De sector moet er eindelijk mee ophouden daar identiteitskwesties van te maken.
Het eigenlijke probleem is helemaal niet de crisis. Crises dwingen tot verandering en hebben daarmee ten minste een functie. Gevaarlijker is het idee dat je haar gewoon kunt uitzitten en daarna de oude meubels weer op dezelfde plek kunt zetten.
Gorbatsjov zei in 1989 in Berlijn terecht: “Wie te laat komt, wordt door het leven gestraft.” De wijnsector zou deze zin ter harte moeten nemen. Want hij gaat over haar. Nu!
